Peerke Donders Lezing

En nog een WordPress site

Lezing Wim van de Donk

Allerheiligen 1 november 2009 – Midi Theater Tilburg

Commissaris der Koningin prof. dr Wim van de Donk spreekt 1e Peerke Donderslezing uit

In zijn lezing concentreerde de nieuwe Commissaris van de Koningin Wim van de Donk zich op de erfenis van Peerke Donders. Wat kunnen wij vandaag van hem leren? Waarmee weet de arme weverszoon ons nu nog te inspireren? Hoe kunnen Brabanders, in navolging van Peerke, Wereldburgers zijn?

Van de Donks lezing werd voorafgegaan door een programma vol gesprekken, film en muziek. Daarin sprak Paul Spapens journalist en auteur van meer dan 30 boeken, over ‘de Tilburgse Peerke’. De al even productieve journalist en socioloog Herman Vuijsje belichtte daarentegen de ‘Surinaamse Peerke’. Aan de hand van filmbeelden bespraken de documentairemakers Lout Donders en Ellen van Kempen fragmenten uit hun  film ‘Peerke Donders, zijn leven, zijn brieven’ die enkele weken eerder in premiere ging.
Op de lezing van Wim van de Donk reageerde
Anna Chojnacka, directeur van de 1%club en lid van de befaamde denktank Worldconnectors. Muziek was er van de Surinaamse Kasekoband Bradi Banti. De middag werd geleid door Ralf Bodelier van het Wereldpodium en Meike de Jong van Omroep Brabant.

Een foto-verslag van de hele middag vindt u hier

Wim van de Donk
Het weten van de wereld
Geloven in duurzame ontwikkeling.

Dames en heren,

Een paar jaar geleden verscheen van de Duitse auteur Daniel Kehlmann een bijzonder boek. Het droeg als titel ‘Die Vermessung der Welt. In de Nederlandse vertaling werd dat: ‘Het meten van de wereld’. Het boek behandelt de lotgevallen van twee beroemde Duitse wetenschappers die zich aan het begin van de negentiende eeuw hebben beijverd om onze wereld in kaart te brengen. De ene, de wiskundige Carl Friedrich Gauß, deed dat vooral in eigen land –Duitsland– en bracht onder meer de geodesie tot ontwikkeling.

De ander, Alexander von Humboldt, legde de grondslag voor de moderne geografie en maakte een van de belangrijkste ontdekkingsreizen ooit naar wat toen nog werd aangeduid als ‘de nieuwe wereld’.

Die nieuwe wereld was ook toen vooral een andere wereld, die letterlijk nog moest worden ontdekt. Ik zeg ‘ook toen’, want daarin lijkt na al die jaren per saldo niet echt veel veranderd; zij het dat we nu zouden spreken van een andere wereld, die nog moet worden ontwikkeld.

En dat moeten wij dan doen, dat is althans de dominante idee. Natuurlijk zie ik ook wel dat er een zekere verandering blijkt in het spreken over ontwikkelingshulp. Dat werd eigenlijk steeds meer ontwikkelingsamenwerking. Maar dat is uiteindelijk toch vooral een semantische verschuiving gebleken: de feitelijkheid van de ontwikkelingssamenwerking is er toch vooral een van een afhankelijke relatie van hulp en steun, die bovendien steeds meer op onze strenge voorwaarden gegeven wordt.

Wim vd DonkEen dergelijke manier van spreken hanteert een in mijn ogen onhoudbaar wij-zij perspectief op de ontwikkeling van de wereld dat wij snel moeten verruilen voor een meer productief, duurzaam en eigentijds perspectief op ontwikkeling, maar daarover straks meer.

Het boek van Kehlmann laat zien hoe nieuwsgierigheid naar de nieuwe wereld beide geleerden tot grote prestaties dreef. Met name Von Humboldt ondernam avontuurlijke boottochten die bepaald niet zonder gevaar waren. Hij deed belangrijke ontdekkingen in het Amazonegebied, dat hij nauwgezet in kaart bracht. Beide wetenschappers hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan wat we wel noemen de verwetenschappelijking of ‘modernisering’ van ons wereldbeeld. Het weten van de wereld was rechtstreeks afgeleid van het meten van de wereld. De vondsten van Von Humboldt worden tot op de dag van vandaag als waren het relikwieën bewaard in het naar hem genoemde museum voor natuurwetenschappen in Berlijn. Die modernisering heeft de wereld niet alleen steeds verder in kaart gebracht, maar ook onze kijk op en ook onze verhouding met de wereld ingrijpend veranderd. De socioloog Weber sprak in dit verband veelzeggend van de daarmee gepaard gaande ‘onttovering’ van de wereld. De wereld werd onderdeel van ‘ons rationele systeem’, dat we met behulp van de sterk groeiende wetenschappelijke kennis en economisch handelen tot ontwikkeling hebben gebracht.

Tweehonderd jaar later weten we dat die ontwikkeling misschien helemaal niet zo rationeel, en in ieder geval allesbehalve evenwichtig was, en dat in vele opzichten. Ik noem drie onevenwichtigheden.

Allereerst was er sprake van een schaamteloze en eeuwenlange exploitatie van kolonies en wingewesten, gepaard gaande met een onthutsende praktijk van slavenhandel en uitbuiting die nog tot op de dag van vandaag in vele delen van onze wereld zijn sporen nalaat. Sporen, die nog maar zeer ten dele zijn uitgewist door de miljarden die de afgelopen decennia als ontwikkelingssamenwerking zijn uitgegeven. Miljarden die overigens vanuit het totaalbeeld van de bedragen die er omgaan in de internationale economische betrekkingen als betrekkelijke peanuts moeten worden gezien.

Onevenwichtig was die ontwikkeling ook omdat die modernisering onze aarde tot aan de rand van de afgrond heeft gebracht en bijna fataal lijkt uit te putten. Zowel in ecologische als sociale zin wordt die aarde, die we intussen gelukkig steeds meer als één wereld zijn gaan zien, in zijn voortbestaan rechtstreeks bedreigd. Weer leven we dus in een tijd waarin we onze kijk op en onze verhouding met de wereld ingrijpend zullen moeten veranderen, willen we als mensensoort kunnen overleven. Niets minder staat er op het spel. Ik mocht het laatst zeggen bij mijn installatie in Brabant: we moeten ons realiseren dat we besturen op een breukvlak. De huidige crisis is in mijn ogen niet in de eerste plaats een financiële en economische crisis, maar veeleer een morele en culturele crisis die ons uitdaagt tot een fundamentele reflectie en tot ingrijpende vormen van gedragsverandering. Als we niet opschieten is straks zelfs het antwoord op de klassieke vraag ‘waartoe zijn wij op aarde?’ niet meer relevant.

Onevenwichtig was die ontwikkeling ten derde ook, omdat de mens, zij het vooral die van het Westerse soort, zijn vermogen om zich als deel van een (groter) geheel te denken, ik definieer dat maar even als zijn religieuze bewustzijn, in belangrijke mate heeft veronachtzaamd. De rationaliteit heeft de spiritualiteit verdrongen. Het moderne wereldbeeld dat is voortgekomen uit het ‘meten van de wereld’ lijdt aan een intrinsiek beperkt soort van ‘weten van de wereld’. In het perspectief van modernisering en rationalisering is een fatale versmalling van het mensbeeld geslopen. Die versmalling –de individuele mens is zelf het middelpunt, de maat der dingen en een homo economicus– is de belangrijkste reden voor het feit dat de ontwikkeling van de (internationale) samenleving zoals die de afgelopen decennia gestalte kreeg niet duurzaam en houdbaar is.

In de ordening van de wereld heeft de meetkunde plaats gemaakt voor de macro-economie, die overigens steeds meer volgens micro-economische beginselen werd bedreven. Zoals in 1791 in Parijs de meter officieel als lengtemaat werd vastgesteld, later gevolgd door de instelling van een Internationaal Bureau voor Maten en Gewichten, zo kennen we sinds 1989 de zogenaamde Washington Consensus. Die behelst een generiek en streng recept voor ontwikkeling, sterk neo-liberaal gekleurd, die door instituties als het IMF en de Wereldbank al even streng als consequent werden toegepast bij het geven van steun. We weten intussen dat bij de veronderstellingen van die consensus (privatiseer, liberaliseer, open uw markten) de nodige vraagtekens te zetten zijn. Alleen al een nauwgezette studie van de ontwikkeling in Aziatische landen of die van onze eigen Europese samenlevingen leert dat het tot ontwikkeling brengen van landen en samenlevingen soms heel wat anders vraagt dan open markten.

Er lijkt meer behoefte aan specifieke dan aan generieke recepten, hoezeer de meters van de wereld dat ook zouden willen. De culturele component en de rol van een sterke publieke sector werden door de Chicago-economen systematisch onderschat, iets dat gelukkig –eindelijk– is doorgedrongen tot het comité dat de Nobelprijzen voor economie toekent. Welkom terug in de sociale wetenschappen! Dani Rodrik spreekt intussen treffend van de Washington Confusion…. Het wordt tijd de bakens te verzetten.

Voordat ik wat nader inga op het belang van een meer eigentijds en duurzaam perspectief op ontwikkeling, sta ik –dat mag natuurlijk wel in een lezing die de naam van Peerke Donders draagt– eerst nog wat stil bij de vermeende problematische verhouding tussen modernisering en religie. Een dergelijk duurzaam perspectief op ontwikkeling vraagt naar mijn inzicht immers om een herwaardering van het religieuze en spirituele in onze Westerse samenleving. Als een perspectief op mondiale ontwikkeling niet is geënt in een wezenlijk religieuze grondslag zoals ik die zojuist definieerde, is het naar mijn mening gedoemd te mislukken.

Zowel Gauß als Von Humboldt, die gretige grondleggers van de modernisering, dames en heren, waren tijdgenoten van de man die tweehonderd jaar geleden hier in Tilburg werd geboren en wiens geboortedag we deze week herdenken: de zalige Petrus Donders, onze Peerke Donders. Ook hij vertrok naar de nieuwe wereld, maar zou, anders dan Von Humboldt, nooit meer naar Europa terugkeren. Alhoewel ook Peerke Donders leergierig was, was het niet de nieuwsgierigheid, laat staan een wetenschappelijke roeping die hem naar Suriname deed vertrekken. Bij hem waren het de naastenliefde, de barmhartigheid en de zekerheid door God geroepen te zijn die hem daar brachten (en hielden!). Op 1 augustus 1842 vertrok hij vanuit Den Helder aan boord van het zeilschip Jacoba Maurina. Op 16 september zette hij voet aan land in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. Drie weken later al voer hij samen met monseigneur de Grooff via zee en de Coppename-rivier naar het melaatsen-établissement in Batavia. Hij zou er na een eerste periode in Paramaribo drie decennia lang en onvermoeibaar voor de uitzichtloze melaatsen zijn en zorgen en er uiteindelijk op 14 januari 1887 zelf op hoge leeftijd sterven.

Zijn vertrek naar Suriname en zijn indrukwekkende zorg voor de melaatsen in Batavia vloeiden rechtstreeks voort uit een roeping die meer dan je zou verwachten in belangrijke mate een persoonlijke keuze en overtuiging was.

Zoals blijkt uit de bij gelegenheid van zijn zaligverklaring verschenen biografie van Dankelman, groeide Petrus Donders op in een Nederland dat zelf de eerste schreden zette op een pad van modernisering. Het was ook een Nederland dat in belangrijke mate zelf nog tot ontwikkeling moest worden gebracht. Dat gold evenzeer voor de ontwikkeling van de religieuze verhoudingen en praktijken. Het was het Nederland van ver vóór de latere verzuiling, waarin Petrus Donders, geboren als zoon van een arme thuiswever, bepaald niet opgroeide in wat Dankelman mooi omschrijft als een ‘uitbundige gloed van vroomheid’. De rooms-katholieke kerk van zijn jeugd was nog maar net het stadium van de schuil- en zolderkerken ontstegen en stond aan de vooravond van de ontwikkeling van wat we later kennen als het al even massale als massieve religieuze leven van de verzuiling. De opkomst van massakerken leek in veel opzichten op de praktijk van de industrialisering, die al evenzeer leidde tot grote en hiërarchische organisaties. Toen Peerke Donders op 5 juni 1841 tot priester werd gewijd in de huiskapel van het bisschoppelijk paleis van mgr. Van Wijkerslooth, was die laatste nog geen tien jaar de eerste bisschop die na 200 jaar in Nederland mocht worden benoemd. Peerke Donders was dus bepaald geen zoon van het Rijke en georganiseerde Roomse leven, maar een arme kruikenzeiker die een heel persoonlijke keuze maakte.

Wie van zijn leven kennis neemt ontdekt al snel hoe wezenlijk het persoonlijke in zijn religieuze engagement was. Peerke Donders was een eigenwijze donder, zou je kunnen zeggen, die systematisch en tegen de keer in volhardde in zijn persoonlijk ideaal. Dat was allemaal verre van vanzelfsprekend. Zijn levensloop zelf is eigenlijk al een groot wonder.

Toen ik vorige week na afloop van de feestelijke Eucharistieviering in de prachtige Sint Dionysiuskerk in de Goirkestraat een kop koffie dronk met Paul Spapens, zei die me dat het eigenlijk al net zo’n wonder is dat Peerke Donders de ontzuiling en de ontkerkelijking van de afgelopen decennia heeft overleefd. Ik kan me die verwondering wel enigszins voorstellen.

Maar vooral denk ik dat de vele aandacht die er in Tilburg voor hem is vooral weer iets zegt over onze tijd. Spapens zelf liet in boekje uit 1983 over Peerke Donders zien hoe de aandacht aan het begin van de twintigste eeuw voor een deel kan worden verklaard uit de toen nog stormachtige opkomst van de Rooms-Katholieke kerk. Die had iconen nodig, en Peerke Donders was daarvoor zonder twijfel een heel geschikte persoon. Hij was in zekere zin de verpersoonlijking niet alleen van een christelijk ideaal, maar ook van de emancipatie van de katholieken in Nederland.

In vergelijkbare zin zegt ook de brede en ook buitenkerkelijke herwaardering van zijn persoon in onze dagen iets over de maatschappelijke ontwikkelingen aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Ik zie die aandacht als een al even broodnodige als kritische contrapunt bij de tijdgeest. Ook nu hebben we weer van die iconen nodig. En Peerke Donders kan dat ook in onze tijd weer zijn. In een mooie beschouwing mede naar aanleiding van de dezer dagen in museum De Pont getoonde werken van Bill Viola spreekt Arent Weevers van de ‘kritische component van het heilige’.
En alhoewel Peerke officieel nog slechts zalig is, is hij een wezenlijke icoon en zet hij ons aan het denken, of aan het oefenen, zou Peter Sloterdijk zeggen. We hebben iemand als Peerke Donders hard nodig.

We leven immers in een tijd waarin de neiging groeit om ons af te sluiten van de wereld om ons heen en weer meer dan ooit de nadruk te leggen op ons individuele en nationale belang. We zien dat bijvoorbeeld in het debat over ontwikkelingssamenwerking. In een tijd dat we het hier zelf moeilijk krijgen horen we alweer snel de geluiden dat we daarmee maar beter moeten stoppen. Het haalt immers toch niets uit en we kunnen de miljarden die we daaraan besteden beter in Nederland besteden. U kent die geluiden wel. Ik zal er zo nog wat meer over zeggen.

Maar duidelijk is al wel dat ze sterk contrasteren met de tekst van een van de liederen over Peerke Donders die vorige week in ‘t Goirke door een volle kerk werd meegezongen. Ik citeer: ‘alles wat we kunnen doen we voor onszelf het eerst/Heel ons leven wordt door egoïsme overheerst/Blijf ons inspireren want dan weten wij het weer/in ieder mens schuilt iets van God en in jou een flink stuk meer.’

Barm- en warmhartige zorg voor anderen, het belang van naastenliefde en het belang van onbaatzuchtigheid en opoffering: het zijn woorden die we wel kennen, maar die we blijkbaar aan de vergetelheid moeten ontrukken. Het lied is duidelijk over wat ons te doen staat, en ook het leven van Peerke Donders laat daarover weinig misverstanden bestaan. Zijn beeld is een voorbeeld. We weten eigenlijk wel beter, maar zijn het spreken daarover verleerd. God is uit onze samenleving en uit de mensen weggedacht, en iemand die voor het verliezen van humane waarden systematisch waarschuwde was Peerke Donders. De groeiende aandacht die er voor zijn persoon is zie ik als een teken dat het als religieus te duiden besef dat we als mensen deel zijn van een wereld die groter is dan wijzelf weer meer in het maatschappelijke debat en de tijdgeest terugkeert. Peerke Donders laat ons zien wat de bedoeling van mensen is, en roept op tot engagement.

Ook de vorm waarin ik die groeiende aandacht zie draagt de sporen van onze tijd. Die staat meer in de sleutel van nemen persoonlijke verantwoordelijkheid dan in termen van vanzelfsprekende gehoorzaamheid en het opereren in de context van grote organisaties. Personen en persoonlijke contacten zijn er weer veel belangrijker aan het worden dan organisaties, instituties en systemen. In die zin is de hernieuwde aandacht voor iconen en heiligen, die hier net als in het buitenland door vele gewone mensen worden geëerd, gekozen en gedragen, helemaal niet zo verwonderlijk.

Nee, verrassend is dat alles niet: de manier waarop het religieuze zich in de samenleving manifesteert is in alle opzichten een spiegel van onze samenleving. Ons publieke domein is sterk veranderd, vooral omdat de mensen en hun onderlinge verhoudingen in onze samenleving zo veranderd zijn. Niet alleen door schaalvergroting en processen van internationalisering en commercialisering, maar ook als gevolg van een steeds verdere differentiatie, pluralisering en dus individualisering van leefsferen en leefstijlen.

Iemands identiteit, ook de religieuze, wordt steeds minder vaak vanuit één coherente traditie gevormd, laat staan door één organisatie gecontroleerd. Onze samenleving is al even multireligieus als multicultureel geworden: en dan hoeven we nog niet eens naar de opkomst van de Islam te wijzen. Het nog overzichtelijk gesegmenteerde en stabiele pluralisme van de verzuiling heeft plaatsgemaakt voor een samenleving die steeds meer op een mozaïek lijkt. De dynamiek is soms duizelingwekkend: hedendaagse sociologen als Sloterdijk en Bauman spreken van schuim en van een vloeibare samenleving. Ook binnen de christelijke traditie domineren steeds meer de verschillen en gaan kerkgenootschappen met elkaar in competitie. Ook het religieuze landschap verandert in een markt.

Het voert te ver hier de volledige diagnoses te geven, als ik daartoe al in staat zou zijn. Maar in het bestek van mijn betoog wil ik er één auteur even uitlichten: de Canadese filosoof Charles Taylor. Taylor analyseert al die ontwikkelingen en verschillen met een interessante discussie over het begrip dat nauw verwant is met het begrip van modernisering. Ik duid op het begrip secularisering. Taylor onderscheidt drie betekenissen.

Dat begrip verwijst volgens hem in de eerste plaats naar het fenomeen van de privatisering van religie: religie werd, al dan niet door wetgeving aangemoedigd, uit het publieke domein verbannen. In het spoor van de scheiding van kerk en staat wordt een strikte scheiding tussen religie en publiek domein bepleit. De betekenis verwijst zowel naar een normatief standpunt als naar een empirisch waarneembaar verschijnsel.

In de tweede plaats verwijst het begrip naar het fenomeen van ontkerkelijking, en naar de zogenaamde seculariseringthese die in kringen van sociologen lange tijd als onomstreden gold. Modernisering leidt tot een verminderde rol van religie, wellicht zelfs tot het geheel verdwijnen daarvan. Ook hier lopen wensdenken en empirische waarnemingen soms door elkaar, en recentelijk wordt indringend gewezen op het feit dat die these toch minder overtuigend is dan hij eerder leek. Zelfs een socioloog als Jürgen Habermas, zo konden we vrijdag nog lezen in NRC-Handelsblad, onderkent de voor de modale modernistische socioloog toch verrassende persistentie van religieuze praktijken en posities in het publieke domein.

In zijn recente boek voegt Taylor aan deze twee opvattingen van secularisering nog een derde toe. Hij suggereert dat het begrip tegenwoordig vooral verwijst naar het feit dat geloven steeds meer een persoonlijke optie, en geen automatisme meer is. In latere lezingen beklemtoont hij ook dat het moet worden begrepen als de aanduiding van een toenemend pluralisme, op de conditie van toenemende verschillen, waarbinnen die optie wel of niet en op geheel verschillende manieren kan worden ingevuld. Eerder duidde ik dat ooit aan als de transformatie van religie: het fenomeen verandert van gedaante, wordt minder institutioneel en traditioneel, en meer individueel en dynamisch van karakter. Identiteiten, ook religieuze, zijn in die opvatting steeds minder eenduidig en stabiel, er is sprake van ‘liquid religion’.

In dat licht bezien moeten we wellicht toch nog eens terug naar de eerdere constatering, dat secularisering zijn diepe sporen in de Nederlandse samenleving heeft nagelaten. Wat dat betekent hangt dus ook af van het perspectief van secularisering dat je hanteert. Het is net zoals bij het meten van politieke betrokkenheid van burgers. Als je dat meet in termen van aantallen mensen die actief lid zijn van een politieke partij, dan staat het er met die betrokkenheid niet best voor. Als je andere indicatoren neemt, komen andere vormen van betrokkenheid in beeld.

Voor religie geldt iets vergelijkbaars. Als je dat meet op een manier die ook andere, niet institutionele vormen van religieuze identiteit en betrokkenheid in beeld brengt, ontstaat er een aanmerkelijk ander beeld dan op grond van het meten van kerkbezoek. Er is, inderdaad, sprake van een andere houding ten aanzien van klassieke religies: Grace Davies spreekt van ‘vicarious religion’ en van ‘believing without belonging’. Dat eerste verwijst naar een houding die zegt: goed dat het er is maar ik doe er niet zelf aan mee. Het tweede wijst op het fenomeen dat veel geloof en spiritualiteit zich buiten de gangbare en traditionele kerkelijke en organisatorische kaders ontwikkelt. Anderen beklemtonen de individualisering en ont-traditionalisering van religie: van ietsisme tot orthodoxie, men zoekt de zin steeds meer op eigen houtje, vaak geholpen door nieuwe media. In die zin sprak de WRR van een opmerkelijke terugkeer van religie, maar wel in de context van die transformatie. Genoeg daarover voor dit moment in mijn verhaal, alhoewel het verleidelijk zou zijn om nog wat in te gaan over het in mijn ogen toch wezenlijke onderscheid tussen het zoeken, geven en ontvangen van zin. Maar daarover een andere keer.

Ik keer zoals beloofd nog terug naar het thema van de ontwikkelingssamenwerking. Ook in het domein van de ontwikkelingssamenwerking herkennen we de grondpatronen van genoemde transformaties. Steeds minder lijken mensen geneigd een benadering te steunen, waarbij de zorg voor ontwikkelingssamenwerking als het ware wordt uitbesteed aan grote organisaties. En uit het begin volgend jaar te verschijnen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zal blijken dat er terecht veel kritische vragen te stellen zijn bij de huidige theorie en praktijk van het beleid. Ontwikkelingssamenwerking is geen meetkunde, en de complexe paden die landen op weg naar economische ontwikkeling volgen vragen meer om maatwerk dan om generieke theorieën en standaards voor ontwikkeling. Zeker standaards die op eenzijdig economistische veronderstellingen en verschraalde mensbeelden zijn gebaseerd zullen moeten sneuvelen.

Maar laat ik niet met een negatieve toonzetting eindigen. De contouren van een meer werkzaam en duurzaam perspectief op ontwikkeling vragen vooral om de erkenning van de omstandigheid dat ontwikkeling intussen over ons allemaal gaat, en dat die, zeker als het om het Westen gaat, niet moet worden versmald tot louter economische ontwikkeling. Het gaat niet meer om een andere wereld, maar over onze wereld.

De huidige economische crisis is slechts een kleine ouverture van wat zich nog gaat aandienen in de sfeer van voedsel, energie, water en klimaat. De verhoudingen in de wereld zullen zich nog verder verscherpen maar hopelijk groeit nóg sneller het inzicht dat in al die grote dossiers intussen gaat over de ontwikkeling, nee het overleven, van die wereld als geheel. Het gaat intussen niet alleen meer om ontwikkelinghulp of om ontwikkelingssamenwerking, maar om een strategie voor mondiale ontwikkeling. Voor een Wij-Zij perspectief op ontwikkeling is, als het al ooit aan de orde was, op geen enkele wijze plaats meer. Daarvoor moet dus wat anders in de plaats komen. Dat lukt alleen maar als de onevenwichtigheden waarover ik eerder sprak effectief worden aangepakt. Rechtvaardigheid, liefde, barmhartigheid, een scherp oog voor het algemeen welzijn: het zijn begrippen die geworteld zijn in een lange traditie en die heel concreet zijn voorgeleefd door mensen als Petrus Donders. Zoals de bisschop van ’s-Hertogenbosch vorige week in de genoemde dienst zei: hij opent ons de ogen, als een gewone Tilburger, hij was een kruikenzeiker en een heilige tegelijkertijd.

Er rust dus een belangrijke taak op ons allemaal: mondiale ontwikkeling zal vragen om vormen van gedragsverandering die ons allemaal indringend zullen raken. De recente encycliek ‘Caritas in Veritate’ laat overtuigend zien dat daarvoor een nieuw instrumenteel en institutioneel perspectief nodig is: er wordt expliciet gepleit voor stevige instituties op mondiaal niveau, en ook de natiestaat, door vele globalisten al afgeschreven, wordt in deze encycliek voor Vaticaanse begrippen op een ongebruikelijk stevige manier gesteund. Maar wat de encycliek vooral laat zien is de uitnodiging aan ons allen om de waarheid over de mensen en het weten over onze wereld eerlijk onder ogen te zien en ernaar te handelen. Want uiteindelijk zijn het niet instituties, maar vormen van individueel engagement die het verschil duurzaam doen beklijven. Natuurlijk kunnen ook in onze tijd mensen daarbij steun vinden in organisaties en instituties, mensen blijven mensen en hebben steun en verbinding met anderen nodig. Zonder gemeenschapswerking gaat het niet. Maar Peerke Donders heeft ons laten zien dat het uiteindelijk toch vooral neerkomt op persoonlijk engagement en persoonlijke verantwoordelijkheid. Ik zei het al: hij was zijn tijd ver vooruit.

Ik dank U voor uw aandacht.

Wim van de Donk is Commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Brabant en hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg. Hij sprak deze lezing uit op persoonlijke titel.


jdleeuwncdo

Theme Tweaker by Unreal