Peerke Donders Lezing

En nog een WordPress site

Lezing Guy Verhofstadt 2010


PEERKE DONDERSLEZING VAN GUY VERHOFSTADT
VOORZITTER VAN DE ALLIANTIE VAN LIBERALEN EN DEMOCRATEN IN HET EUROPEES PARLEMENT
TILBURG, 14 NOVEMBER 2010

WAT AFRIKA VAN EUROPA MAG VERWACHTEN ?


Mijnheer de Commissaris van de Koningin in Brabant,

Dames en heren,

Tot voor kort was de zalige Peerke Donders voor mij een  nobele onbekende, dat moet ik toegeven. Daar heb ik, als Belg en Vlaming, een voor de hand liggend excuus voor. Wij hebben de heilige pater Damiaan. Toch leefden ze in hetzelfde tijdsgewricht, de 2de helft van de 19de eeuw. Ze  waren allebei actief op het leprafront, Peerke Donders in Suriname, pater Damiaan nog veel verder van huis, op Molokaï. En ze waren tijdgenoten van de Europese veroveraars die uitgerekend in de late 19de eeuw het overgrote deel van Afrika onder elkaar verdeelden. Peerke Donders en Damiaan leefden nog, zij het niet lang meer, toen de Belgische koning Leopold II in 1885 in het reusachtige Congobekken zijn Onafhankelijke Congostaat  schiep – l’Etat Indépendant du Congo, de latere Belgische kolonie, vandaag de Democratische Republiek Congo.

Wat mij in beide figuren intrigeert, Peerke Donders en Damiaan, was hun aandacht voor wat er elders in de wereld gebeurde. Hun strijd tegen de meest levensbedreigende ziekte onder hun tijdgenoten, de nog ongeneeslijke lepra. Hun inzet voor de armsten, de zwaksten, de stervenden. En hun visie op een menselijker wereld voor iedereen. Laat ons het daarover eens zijn, het waren Europeanen die hun nek uitstaken. Zich nauwelijks bewust van de gevaren die hen zouden beloeren. Europeanen avant-la-lettre die zich niet in zichzelf lieten opsluiten. Altijd bereid om hun grenzen te verleggen. Nooit te beroerd om nieuwe wegen te gaan. Hun tijdgenoten altijd een stap vooruit. En vooral onvervaard en onverschrokken. Alsof ze hun schepen achter zich verbrand hadden, want voor hen was er geen weg terug. Daar heb ik een immense bewondering voor.

Dames en heren, als we ons inzetten voor de armsten en de zwaksten onder ons, is er geen ontkomen aan. Dan kunnen wij Europeanen ons meest nabije buitenland, het Afrikaanse continent, niet ontwijken. Altijd al deelden we dezelfde Middellandse Zee, ter hoogte van Gibraltar zo smal dat we er best een brug kunnen bouwen. Zowel voor Grieken als Romeinen was Noord-Afrika al 2000 jaar geleden een integraal onderdeel van de mediterrane wereld. Met West-Azië er bij leefden Grieken en Romeinen al in een tricontinentale wereld zonder voorgaande. Maar helaas ook zonder navolgers. Omdat het West-Romeinse rijk al in de 5de eeuw ten onder ging, snel gevolgd door de opkomst van de islam die deze tricontinentale wereld twee eeuwen later aan stukken scheurde.

Toch lag de oorzaak van de scheiding tussen Europa en Afrika niet alleen in de islam. Een veel grotere hindernis voor vroege handelscontacten tussen Europa en Zwart-Afrika was de Sahara, met zijn 9 miljoen km2 de allergrootste woestijn ter wereld. Een zo grote hindernis, een stenen woestijn van de Atlantische Oceaan tot de Rode Zee waar zelfs de Romeinen nooit doorheen raakten, de Arabieren schoorvoetend, kameel per kameel, van de ene naar de andere oase. Evenmin konden Europese schepen de Sahara ontwijken door er gewoon omheen te varen. Want Afrika is niet gezegend met waterlopen die overzee een gemakkelijke toegang garanderen. Nooit vergeet ik de Portugezen die al in 1480 de monding van de Congostroom verkenden. Vierhonderd jaar later zaten ze er nog en waren ze geen stap verder geraakt. Omdat de Congostroom, de grootste waterplas van Afrika en de tweede grootste ter wereld, als gevolg van enorme stroomversnellingen tussen Matadi en Kinshasa, over een afstand van wel 300 km absoluut onbevaarbaar is. Dat moest zelfs Stanley ondervinden die pas in 1877 vanuit het Oosten – dwars door Afrika – de naar hem genoemde Stanley Pool bereikte, ter hoogte van het latere Kinshasa. De rest van zijn ontdekkingsreis moest ook Stanley te voet verrichten. Nooit wetend of hij Boma, aan de monding van de Congostroom, wel zou bereiken.

Afrika was toen en nu een verre van gezegend continent. Veelal te warm of te koud, te droog of te vochtig, werden grote delen van Afrika voortdurend door tropische ziekten gedecimeerd. Dat was in Stanley’s tijd nog het geval voor de runderpest, die in één klap 90% van de Centraal-Afrikaanse veestapel uitroeide. Gevolgd door de slaapziekte, overgebracht door de tseetsee-vlieg, die in koning Leopold’s Onafhankelijke Congostaat in de jaren 1885-1908 meer Congolezen fataal werd dan het schrikbewind van de blanke ivoor- of rubberjagers.

De huidige situatie van Zwart-Afrika is zo bekend dat ik die in enkele volzinnen kan samenvatten. Het blijft veruit het armste en minst-ontwikkelde subcontinent ter wereld. Goed  voor 12% van de wereldbevolking is de industriële productie er hooguit 1,5 % van het wereldtotaal. Ofschoon het subcontinent schatrijk is aan minerale grondstoffen – olie en gas, goud en diamant, uranium, chroom, coltan, koper, kobalt, mangaan, ijzererts – en de Congostroom alleen al genoeg waterkracht kan leveren om heel Afrika van elektriciteit te voorzien, blijft het overgrote deel van de Afrikanen straatarm. Alsof hun rijkdom een vloek is en geen zegen. Van de 1 miljard armsten in de wereld, de extreem-armsten die niet eens één dollar per dag verdienen, leeft meer dan de helft in Zwart-Afrika. De armsten leven nog van de pluk en de visvangst, of van de povere opbrengst van hun altijd bedreigde landbouwgronden. Om beurten bedreigd door extreme droogte of overstromingen, uitersten die nog versterkt worden door de eerste tekens van de klimaatverandering.  Maar ook bedreigd door de grote en rendabele landbouwbedrijven die eerder voor de uitvoer produceren – koffie, cacao, suiker, palmolie, katoen –eerder  dan dat ze in de voedselbehoeften van de lokale bevolking voorzien.

Toch is het in Afrika niet allemaal kommer en kwel. Dat bleek eerder deze maand nog uit het recentste verslag – het Human Development Report 2010 – van het VN-Ontwikkelingsprogramma UNDP. Al twintig jaar vormt het UNDP de spil van de ontwikkelingsprogramma’s van de VN. Omdat de Human Development Index van het UNDP, die alle ontwikkelingslanden bestrijkt, niet alleen rekening houdt met het bruto binnenlands product (het bbp) van de betrokken landen, maar ook kijkt naar de levensverwachting en scholing van de betrokken bevolking. Levensverwachting is een kwestie van volksgezondheid en medische infrastructuur. Scholing speelt dan weer een cruciale rol te spelen om een land uit de armoed te tillen. Bovendien houdt de Human Development Index sinds kort ook rekening met de sociale ongelijkheid, met de gender-ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en met het fenomeen van ‘de multidimensionele armoede’. Omdat armoede niet alleen een kwestie is van ‘minder dan één dollar per dag’ te verdienen maar ook van levenskwaliteit, van een falende gezondheidszorg, van weinig onderwijskansen, van een oeverloze werkloosheid en van sociale en economische uitsluiting. Op die manier verschaffen de Human Development Reports van het UNDP ons een veel genuanceerder beeld van het ontwikkelingsbeleid en van de armoedebestrijding dan het naakte bbp.

Uit dat genuanceerder beeld blijkt onder meer dat ook vele Afrikaanse landen er qua ontwikkeling en armoedebestrijding wel degelijk op vooruitgaan. ‘Over het algemeen leven mensen, ook in de ontwikkelingslanden, vandaag gezonder, rijker en beter opgeleid dan 40 jaar geleden’, schrijft het UNDP. Dat redelijk optimistische beeld geldt trouwens voor alle ontwikkelingslanden, ook voor Afrika. Op een lijst van 135 ontwikkelingslanden telt het UNDP drie uitzonderingen. Alle drie gelegen in Zuid-Afrika, de Democratische Republiek Congo, Zambia en Zimbabwe. Zij gingen er de voorbije 40 jaar op achteruit, niet op vooruit. Daar is ‘de gemiddelde Afrikaan’ er erger aan toe dan 40 jaar geleden. Anderszijds staat Ethiopië op de 11de plaats van ontwikkelingslanden die er de voorbije 20 jaar het snelst op vooruitgingen, gevolgd door drie andere Afrikaanse landen – Botswana, Benin en Burkina Faso – in de top-25 van het UNDP.

Sinds 1970 is Botswana’s bbp per inwoner zelfs vernegenvoudigd. Na lange jaren van oorlogen en conflicten in de Hoorn van Afrika kwam Ethiopië pas in de jaren 1990 op gang. Maar het is het Zwart-Afrikaanse land dat de voorbije 20 jaar nog de snelste vooruitgang optekende. Misschien gelijkt Mozambique, in Zuidelijk Afrika, nog het meest op Ethiopië. Voor zover ook Mozambique nog in de jaren 1970 en 1980 in oorlogen en conflicten is weggezonken, maar er sinds 1990 op de Human Development Index wel met 54 procent op vooruitging.

De sleutels voor deze bescheiden Afrikaanse successen liggen volgens het UNDP niet zozeer bij de prijs van hun grondstoffen. Wel bij hun inspanningen om hun markten open te stellen voor de wereldhandel, bij een bekwame en goed functionerende overheid en bij hun inspanningen om de gezondheidszorgen en hun onderwijsstelsel te verbeteren. Wat deze laatste punten betreft, is er trouwens goed nieuws. Zo is de alfabetiseringsgraad bij jongeren in Zwart-Afrika gestegen van 42 procent in 1974 tot 74 procent vandaag. In dezelfde periode daalde de kindersterfte van 244 per duizend geboortes in 1974 naar 170 vandaag. Tegelijk waarschuwt het UNDP dat geen arm land uitsluitend op eigen kracht de armoede kan overwinnen. En dat geen ‘succes’ geboekt kan worden zonder internationale steun en solidariteit. En het is net die ‘international steun en solidariteit’ die door de wereldwijde economie en financiële crisis vandaag onder grote druk staat.

Dames en heren, het is geen geheim dat vooral Zwart-Afrika afhankelijk is van de solidariteit van Europa. Ik zie trouwens vele redenen waarom Europa haar ontwikkelingsprogramma’s prioritair op Afrika moet richten. Vooreerst een historische reden. Omdat wij het zijn, ten goede en vooral ten kwade, die Afrika de voorbije eeuw op de wereldkaart gezet hebben. Omdat wij Europeanen betrokken waren bij vele rampen die vooral Zwart-Afrika de voorbije eeuw van buitenuit overvielen. Van de Atlantische slavenhandel, horresco referens, tot die delen van Afrika waar krijgsheren en grondstoffenkartels de dienst uitmaken. We hebben in Afrika een schuld te delgen.

Maar ik zie ook actuele redenen. Zo is er een significante Afrikaanse diaspora in Europa. In 1960 telde Congo vrijwel geen universitairen. Vandaag zijn het er tienduizenden, vaak opgeleid aan onze universiteiten. Maar zolang ze Afrika niet zien opveren, blijven ze liever in de diaspora. Toch vormen ze de grootste menselijke link tussen Afrika en Europa en Afrika’s grootste intellectuele reservoir. Alleen zullen ze pas naar Afrika terugkeren als ook wij Europeanen kunnen garanderen dat Afrika weer kansen krijgt, thuis en op de wereldmarkt.

Maar er zijn ook andere actuele redenen om Afrika en vooral de Afrikanen niet los te laten. Ik denk dan aan geostrategische redenen van veiligheid en mensenrechten. Geen welvarend Europa kan standhouden tegenover een zo arm en tegelijk zo onveilig Afrika ‘aan de andere kant’ van de Middellandse Zee. Een verarmd Afrika is een schande voor de wereld maar tegelijk ook een bedreiging voor ons. Omdat armoede en onveiligheid hand in hand gaan. Zeker als weer eens een Afrikaanse staat, of bondsdeel, over de kop gaat en het zoveelste machtsvacuüm schept dat dan weer door krijgsheren en avonturiers wordt opgevuld. Denken we maar aan de piraterij in de Golf van Aden, aan de zoveelste massa-verkrachting in het oosten van Congo of aan de chronische onveiligheid in de Niger-delta. Net zoals we elke winter worden geconfronteerd met nieuwe Afrikaanse emigranten die onze grenzen bestormen. Omdat het leven thuis nog onveiliger is dan de risico’s die hen op hun vlucht naar Europa boven het hoofd hangen.

Dames en heren, het is een feit dat Zwart-Afrika het meest van Europa verwacht. Maar het is ook een feit dat Europa zich het meest om Zwart-Afrika bekommert. Al tientallen jaren vormen de lidstaten van de EU en de EU zelf Afrika’s grootste donor. Europa staat al veertig jaar in voor meer dan de helft van alle officiële uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking. Dat zich thans andere belangstellenden aandienen voor Afrika’s grondstoffen, te beginnen met China en India, maar ook Amerika (altijd op zoek naar olie) en zelfs de Arabische wereld (rijk aan olie maar arm aan andere grondstoffen), blijkt niet (of nog niet) uit hun bijdragen voor de ontwikkelingssamenwerking. Op dit vlak, van vitaal belang voor de armsten, maakt Europa het verschil.

Ik denk dan aan twee forums die de Euro-Afrikaanse betrekkingen in belangrijke mate domineren. Vooreerst de ACP-overeenkomsten, overeenkomsten tussen de 27 EU-lidstaten en 79 partners/voormalige kolonies van Europese staten in Afrika, de Caraïben en de Pacific. Concreet gaat het om 48 partners in Afrika, 16 in de Caraiben, 15 in de Pacific.

De ACP-overeenkomsten kennen een lange voorgeschiedenis. Aanvankelijk, in 1963, ging het maar om 6 Europese staten en 18 Afrikaanse staten, vooral voormalige kolonies van België en Frankrijk. Pas later kwamen er de voormalige Portugese kolonies bij maar ook de veel talrijker ex-Britse gebiedsdelen. Vandaar de uitbreiding van de akkoorden naar de Caraïben en de Pacific, culminerend in de EU-ACP handelsovereenkomst van Cotonou  (Benin) in het jaar 2000. Bindend voor 27 EU-lidstaten en 79 ACP-partners, met een gezamenlijke bevolking van 1,5 miljard mensen, gaat het om één van de grootste handelsovereenkomsten ter wereld.

Vernieuwend in de overeenkomst van Cotonou is de EU en hun ACP-partners hun betrekkingen niet meer baseren op het onderscheid tussen donors en begunstigden, maar dat ze elkaar als evenwaardige partners tegemoet treden. In die zin kwamen er economische partnerschapsakkoorden tussen de EU en de zes ACP-regio’s, waarvan vier in Afrika. De vier ACP-regio’s komen in belangrijke mate overeen met de belangrijkste regionale instellingen in Zwart-Afrika: de East African Community voor Oost-Afrika (5 lidstaten), SADC voor Zuidelijk Afrika (15 lidstaten), Ecowas voor West-Afrika (15 lidstaten) en Comesa voor Oost én Zuidelijk Afrika (19 lidstaten). Regionale instellingen die de EU krachtig wil ondersteunen en die stilaan steeds actiever en efficiënter worden in het bevorderen van de regionale integratie.

Het zou me te ver leiden die EU-ACP-partnerschapsakkoorden hier te concretiseren. Ik wil ze ook niet verheerlijken maar evenmin wil ik ze demoniseren. Omdat er goede en minder goede kanten aan vastzitten. Goede kanten voor zover ze de regionale integratie van de ACP-regio’s in de hand werken en ze de partnerlanden de vrije toegang van hun producten op de Europese markt garanderen. Minder goede kanten omdat die vrijhandel ook de zwaar gesubsideerde Europese landbouwproducten op de Afrikaanse markten loslaat en dat sterk ten nadele van de Afrikaanse producenten die niet met deze gesubsideerde producten kunnen concurreren.

Velen kennen de boutade dat elke Europese boer of boerin per dag 2 euro’s krijgt voor elke koe, een subsidie om de Europese landbouwsector te ondersteunen, terwijl 1 miljard mensen in de wereld van minder dan 1 euro moeten leven.  Maar het klopt dat gesubsideerde Amerikaanse of Europese producten vaak een vernietigend effect hebben op de lokale markten waar deze producten ‘gedumpt’ worden. Waar ze de armoede nog verscherpen, in plaats van die effectief te bestrijden.

Een felle criticus van die Europese en Amerikaanse ‘dumping’-praktijken is de Zwitserse socioloog Jean Ziegler, vele jaren de VN-rapporteur voor ‘het recht op voedsel’. ‘Op iedere Afrikaanse markt’, schrijft Ziegler in zijn recentste boek, kan de consument Franse, Spaanse, Italiaanse, Portugese of andere Europese kippen kopen, maar ook fruit en groenten, voor de helft of eenderde van de prijs van vergelijkbare lokale producten. Geen wonder dat de lokale producent er onder door gaat en zijn niet meer rendabele landbouwproductie overlaat aan zijn grotere of sterkere concurrenten. Voor vijf landen in West- en Centraal-Afrika die bijna uitsluitend van de katoenteelt leven – Benin, Burkina, Mali, Niger en Tsjaad – is Amerika dan weer de grote boeman. Daar krijgen 6000 Amerikaanse katoenplanters van de Amerikaanse overheid 5 miljard dollar per jaar, een forse subsidie die maakt dat Amerikaanse katoen in Afrika kan verhandeld worden aan prijzen die 30 tot 40 procent lager liggen dan die van Afrikaanse katoen. Klap op de vuurpijl is Nigeria dat met een export van 2,6 miljoen vaten ruwe olie per dag de 8ste olieproducent is ter wereld, maar zelf benzine moet invoeren, omdat de drie raffinaderijen van het land – in Port Harcourt, Warri en Kaduna – door de westerse olieproducenten (bewust?) buiten bedrijf gesteld werden.

Maar er is meer aan de hand. Op vele plaatsen in Afrika worden door privé-investeerders massaal enorme stukken grond ‘aangekocht’ om er voedselproducten of andere landbouwproducten te produceren voor de buitenlandse markt, terwijl de lokale boertjes mogen ophoepelen, waardoor de eigen voedselproductie stagneert. Zo heeft China de voorbije jaren 2,8 miljoen hectare gekocht in Congo, om er de grootste exploitatie van palmolie ter wereld te vestigen. De Indiase zakenman Sai Ramakrishna Karuturi is in Kenia dan weer de grootste producent van snijrozen ter wereld, in serres met oppervlaktes van honderden hectare, met kapitaal uit India, serreplastic uit China, een irrigatiesysteem uit Israël en Duitse machines. Tegelijk liet Karuturi zijn oog vallen op 11.000 hectare landbouwgrond in Ethiopië, maar hij hoopt er op een areaal van wel 311.000 hectare om er granen te oogsten voor het buitenland. Alvast op Madagascar nam een buitenlands investeringsproject zodanig vormen aan dat er in 2009 onlusten uitbraken die de zittende president ten val brachten. Op Madagascar was sprake van landrechten voor een totaal van 1,3 miljoen hectare ten voordele van Zuid-Korea’s Daewoo Logistics, voor een periode van 99 jaar. De opbrengsten van de Daewoo Concessie op Madagascar,  je waant je weer een eeuw jonger, waren uitsluitend voor de Zuid-Koreaanse markt bestemd. Geen wonder dat de voorlopige deal prompt door de nieuwe president geschrapt werden.

Dames en heren, een tweede heel ander forum naast de EU-ACP akkoorden is de Afro-Europese dialoog, op gang gekomen in het voorjaar van het jaar 2000. Gangmakers voor die dialoog waren de Millenniumdoelstellingen van de VN, het Millennium Africa Renaissance Programme dat in 2001 zou leiden tot het New Partnership for African Development NEPAD en de nakende omvorming van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid tot de Afrikaanse Unie, voltrokken in 2002. Tegelijk was ook de Europese Unie rijp voor een geïntegreerde aanpak van de Afro-Europese betrekkingen. Tot dan, en gedeeltelijk ook vandaag nog, steunde de Europese aanpak eerder op bilaterale betrekkingen van de afzonderlijke lidstaten met hun voormalige kolonies, dan op een globale Europese benadering van het hele Afrikaanse continent.

In april 2000 maakte ik als federale premier, de allereerste Afro-Europese top mee, in Caïro. Een top enerzijds ontsiert door een urenlange scheldpartij van de Libische leider Kardafi aan het adres van de Europese kolonisatoren. Een top, anderzijds, nooit eerder vertoond, van de staatshoofden en regeringsleiders van de EU15 en de 53 lidstaten van de toenmalige Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (de latere Afrikaanse Unie). We lanceerden er een eerste Actieplan – the Cairo Plan of Action – om de Afro-Europese betrekkingen op een nieuwe leest te schoeien. Natuurlijk ging dat actieplan over economische samenwerking en duurzame ontwikkeling, handel en investeringen, maar ook over mensenrechten en democratie, good governance en de rule of law, vluchtelingen en ontheemden, conflictpreventie en peace-building,  veiligheid en terrorisme, leefmilieu en voedselveiligheid, onderwijs en research.

Het waren thema’s die we naderhand concreter zijn gaan uitwerken in tal van Afro-Europese ministerconferenties in Brussel en Ouagadougou (Burkina), Dublin en Addis-Abeba, afwisselend in een Europese of een Afrikaanse hoofdstad.  Uiteindelijk kwam het in december 2007 tot een tweede Afro-Europese top van staatshoofden en regeringsleiders, deze keer in Lissabon. Doordat onderhandelingen over de vorming van een nieuwe federale regering in Brussel in 2007 maandenlang bleven aanslepen (U ziet, er is niets nieuws onder de zon), kon ik ook die top nog als premier bijwonen. Voor het eerst brachten we er de staatshoofden en regeringsleiders van de 27 – de 15 plus 12 – samen met de 53 lidstaten van de Afrikaanse Unie, bijna een  halve VN-assemblee!

Het was die top, in Lissabon, die we afsloten met ‘een strategisch partnerschap’ tussen Afrika en de EU. Een partnerschap met prioriteiten als goed bestuur en mensenrechten; handel, regionale integratie en hulp; klimaatverandering; migratie en mobiliteit. Dat strategisch partnerschap blijkt nog te weinig uit de actualiteit. Dat is in belangrijke mate een financieel probleem, sinds de G8 – ’s werelds grootste economieën – hun ‘beloften’ van de voorbije jaren niet nakomen en ze zelfs ‘de prijs’ van de Millenniumdoelstellingen – 35 miljard dollar – nauwelijks willen betalen. In een wereld waarin de ngo ActionAid onlangs nog becijferde dat ondervoeding de armste landen elk jaar 350 miljard dollar kost, het tienvoud.

Dames en heren, de voorbije tien jaar kon de Afro-Europese samenwerking niet alle wonden van de voorbije eeuw helen. Toch is in Afrika thans een generatie leiders aan de macht gekomen, veelal voor het eerst via de stembus, die me steeds minder door de wonden van de 20ste eeuw getekend lijkt. Sinds het einde van het apartheidstijdperk, in 1994, is voor het eerst geheel Afrika effectief gedekoloniseerd. Het zijn geen heiligen die Afrika vandaag besturen, (dat is bij ons ook niet zo) maar het zijn eindelijk Afrikanen. En voor mij volstaat één Mandela om mijn grieven over andere Afrikaanse leiders te milderen. Wie het voorrecht gehad heeft die uitzonderlijke man te mogen ontmoeten kan niet meer wanhopen.

Een man die 27 jaar gevangenschap zonder één spoor van wrok en met opgeheven hoofd achter zich liet om Zuid-Afrika’s eerste zwarte president te worden.

Natuurlijk neemt één man Afrika’s problemen niet weg. Het continent dat pas in de late 19de eeuw voor de buitenwereld ontsloten werd, na een natuurlijk isolement van vele millennia, ontwaakt niet van vandaag op morgen in een open en transparante nieuwe wereld. Toch staat voor mij vast dat Afrika er vandaag beter voorstaat dan pakweg tien jaar geleden. Aan de gestage achteruitgang van het armste continent, dat er in de jaren 1990 elk jaar nog met 0,3% op verarmde, zit er sinds 2002 weer een jaarlijkse groei in van ‘het Afrikaanse bbp’ van 3,4% in 2002 tot zelfs 6% in 2006. Naderhand torstte ook Afrika de fatale weerslag van de wereldeconomische en financiële crisis, maar de balans voor de jaren 2000-2010 noteert toch een gemiddelde jaarlijkse groei van 3,1%. Dit jaar is het weer 4,3%, voor 2011 wordt een gemiddelde groei van 4,6% verwacht. Gelet op de nog steile bevolkingstoename ligt de groei nog te laag om de armoede effectief te kunnen keren, maar de vooruitzichten ogen beter dan voorheen.

Dat bevestigde in september 2010 zelfs de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN, de FAO, die voor het eerst in 15 jaar minder hongerlijders in de wereld telde dan voorheen. In 2009 had de extreme armoede op wereldschaal voor het eerst 1,023 miljard mensen in zijn greep, bijna één aardbewoner op zeven. In september 2010 telde de FAO er 925 miljoen, een daling met bijna tien procent op één jaar. Twee derde van die 925 miljoen hongerlijders woont in slechts zeven landen: Bangladesh, China, de Democratische Republiek Congo, Ethiopië, India, Indonesië en Pakistan. Voor China en India zal dat niet lang meer duren. Maar er zijn nog steeds kandidaten genoeg, vooral in Afrika, om de top-zeven te handhaven.

Opvallend, de voorbije jaren, was de groeiende Chinese belangstelling voor het grondstoffenrijke continent. Zo spreekt de Chinees-Congolese deal van september 2007 tot de verbeelding. Een akkoord voor een bedrag van 9 miljard dollar – het globale Congolese overheidsbudget is niet hoger dan 1,3 miljard dollar per jaar – voor de ontsluiting van Katanga, Congo’s minerale schatkamer. Voor dat bedrag worden grootse infrastructuurwerken gepland (wegen, spoorwegen, waterwegen; water, elektriciteit, onderwijs, volksgezondheid en transport) die door de RDC betaald worden met de levering van koper en kobalt. De RDC en China installeerden daartoe een joint-venture, Socomin,  die in Katanga 3 miljard dollar zal investeren. Over een periode van 15 jaar zal Socomin circa 10 miljoen ton koper en kobalt produceren om een investering van 12 miljard dollar te betalen.

In feite ging het om een akkoord tussen de RDC en drie Chinese staatsbedrijven, onder wie China Eximbank. 32 % van de aandelen van Socomin zijn voor de Gécamines, 68% voor de Chinezen. Het overgrote deel van de exploitatie moet van nieuwe mijnen komen. Infrastructuurwerken voor een bedrag van 9 miljard dollar zullen uitgevoerd worden door twee publieke Chinese bedrijven: Sinohydro (elektriciteitscentrales, hoogspanningslijnen) en de China Railway Engineering Company CREC (voor een vernieuwing van het hele Congolese spoorwegnet). Sinohydro zal ook instaan voor 49 centra voor drinkbaar water, 31 hospitalen van minstens 150 bedden, 145 gezondheidscentra van minstens 50 bedden, vier grote universiteiten, en 20.000 woningen. Tenslotte zal een derde Chinees bedrijf, de Shanghai Pengxin Group LTD, 1 miljard investeren in wegenwerken.

Vele Europeanen wantrouwen de Chinese belangstelling voor Afrika. Ik doe daar niet smalend over, niet alleen omdat ook wij Europeanen geen heiligen waren in Afrika en we er als eersten zoveel grondstoffen wegsleepten die in eerste instantie onze industriële ontwikkeling ten goede kwamen. Maar ook omdat China Afrika wel degelijk iets te bieden heeft, sinds het in eigen land bewezen heeft hoe sociale en economische vooruitgang er kan uitzien, en aan welk tempo zich die vooruitgang kan voltrekken. Omdat China de kosten voor dat alles in natura betaalt, zodat Congolese machthebbers de opbrengsten van de Congolees-Chinese deal minder gemakkelijk in eigen zak kunen steken. En omdat in Afrika de ene hulpverlener – de EU – andere hulpverleners niet moet uitsluiten maar hun inspanningen kan aanvullen.

Cruciaal voor Europa en voor de Afro-Europese betrekkingen, dunkt mij, is dat Europa en Afrika nog duidelijker als Unies optreden. Omdat geen Afrikaans land zich aan zijn eigen haren uit het moeras van de onderontwikkeling kan trekken. Dat is ook geen Europees land ooit gelukt. Maar nog veel meer omdat een veelkoppig monster als de extreme armoede in zoveel Afrikaanse landen uitsluitend op basis van samenwerking kan bestreden worden. Te beginnen met de inter-Afrikaanse samenwerking, dat spreekt vanzelf. Maar laat ons als Europeanen het voorbeeld geven door onze bilaterale betrekkingen met individuele Afrikaanse staten af te bouwen ten voordele van een Europese benadering in het kader van de Afro-Europese dialoog.

Uitsluitend op Europese schaal staan we sterk genoeg om de meest voor de hand liggende problemen op Afrikaanse schaal aan te pakken. Voorbeelden van problemen op pan-Afrikaanse schaal die geen land voor zichzelf kan oplossen zijn er genoeg: armoede en onderontwikkeling, vrede en veiligheid, de klimaatverandering en de milieuzorg, landbouw en de voedselvoorziening, de Afrikaanse infrastructuur van wegen, spoorwegen en waterwegen, Afrika’s energievoorziening en zijn industriële ontwikkeling, de redding van het regenwoud – alleen al in het Congobekken een schat van 1.450.000 km2 – en de ermee verbonden bescherming van de biodiversiteit.

Dames en heren, de uitdaging is groot, maar niet onmogelijk. Want ook Zwart-Afrika evolueert wel degelijk – langzaam maar zeker – in de richting van meer stabiliteit, minder extreme armoede, meer democratie, minder schendingen van de mensenrechten en duurzame ontwikkeling. Dodelijke conflicten zoals die tien jaar geleden nog Angola, Burundi, Ethiopië, Liberia, Mozambique, Sierra Leone en Zuid-Sudan verscheurden, behoren tot het verleden. Hopelijk definitief. Sinds vijf jaar kent Zwart-Afrika een gemiddelde economische groei van meer dan 5 procent op jaarbasis. En ook het IMF telt voor het eerst een selecte groep van reeds een tiental Zwart-Afrikaanse landen die in aanmerking komen om als emerging markets erkend te worden.

Goed nieuws kwam er vrijdag ook uit de Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoul. Blijven de rijkste landen en de belangrijkste groeilanden binnen de G20 ruziën over de valutakoersen, daar werden ze het wel eens over een actieplan – redelijk ambitieus omgedoopt tot de Seoulconsensus – om hun betrekkingen met de ‘echte’ ontwikkelingslanden op een nieuwe leest te schoeien. Dat actieplan, dat de Washingtonconsensus vervangt, mikt vooral op de infrastructuur van de armste landen, maar ook op onderwijs, voedselveiligheid, handel, publieke en private investeringen, op een verbeterd belastingsregime (in de betrokken landen), op sociale bescherming en op het afbouwen van invoerrechten voor de armste landen en van landbouwsubsidies in de rijkste landen. Geen van deze accenten is nieuw. Wel nieuw is dat ze in Seoul voor het eerst in een globaal actieplan ten voordele van de ontwikkelingslanden gebundeld werden. En dat wordt afstand genomen van een eenzijdige nadruk op de privésector alleen (wat het geval was in de Washingtonconsensus).

Zo word ik met betrekking tot de millenniumdoelstellingen – natuurlijk het halveren van de extreme armoede in de wereld – ook wat  optimistischer. Als het China en India de voorbije tien jaar gelukt is hun extreme armoede te halvéren – landen die in absolute cijfers tot voor kort méér extreem-armen telden dan gans Afrika bij elkaar – kan Afrika dat ook. Als het subcontinent zijn interne tegenstellingen kan overbruggen, vrede en veiligheid kan bewaren en mag rekenen op de kritische maar gulle steun van zijn rijkste partners. Dan moet Europa op de eerste rij staan, omdat Europa en Afrika sinds de 20ste eeuw ‘natuurlijke bondgenoten’ geworden zijn. Des alliés par nature. Samen sterk genoeg om ook Afrika eindelijk op te nemen in de vaart der volkeren. Ik dank u.

Theme Tweaker by Unreal